Uitspraak Raad van State - Busbrug De Binding

Raadzaal Inverdan Zaanstad's-Gravenhage 15 februari 2012. De Raad van State heeft uitspraak gedaan in de drie besluiten, die ten grondslag liggen aan de openstelling van busbrug De Binding. De procedures zijn gestart in 2007 en hebben in totaal vijf jaar geduurd. Ondertussen is de busbrug - behoudens in de spits - vanaf 1 juni 2010 voor personenauto's opengesteld.
De uitspraak van de Raad van State is duidelijk: de bezwaren van de stichting zijn afgewezen. Teleurstellend voor alle mensen, die zich met hart en ziel hebben ingezet voor een veilige en groene woonwijk. Niet omdat het hun eigen achtertuintje betreft, maar om zorgen voor hun woonwijk. De uitspraak van de Raad van State is niet te begrijpen, maar is onherroepelijk voor de burgers. Was de uitspraak anders uitgevallen, dan waren de procedures door de gemeenteraad opnieuw gestart, zoals na het verwerpen het bestemmingsplan De Binding in 2003.

Geluid
De Raden hebben bij alle bezwaren de onderbouwing van het gemeentebestuur gevolgd. In juni 2010 wordt het besluit Hogere Geluidswaarden door de Raad van State nog verworpen. Het gemeentebestuur belooft een diepgaand onderzoek in te stellen naar mogelijk sluipverkeer. Een paar weken later in de vakantie, nog geen maand na de openstelling van de busbrug, wordt op een doordeweekse dag vlak na de ochtendspits en tijdens de middagpauze een uur geteld. Met deze zogenaamde Second Opinion gaan de Raden akkoord. De verschillende onderzoeken met kentekentellingen van de Stichting in 2011 worden eenvoudig terzijde geschoven. De Stichting telt namelijk twee tot drie maal meer verkeer als de gemeente. De Raden vragen waarom het gemeentebestuur in 2011 geen tellingen heeft gedaan? Het antwoord is eenvoudig: 'Door werkzaamheden in Westerwatering en Westzaan kan er niet worden geteld'. De Raden vinden dit antwoord afdoende voor hun conclusie: 'bezwaar stichting faalt'.

Verkeersmodel
De stichting onderbouwt op verschillende wijzen, dat de verdeling over de rondweg Glazenmaker - Wildeman van het doorgaand verkeer niet 40% - 60% is, zoals het gemeentebestuur beweert. Iedere automobilist kiest voor de kortste en snelste weg, namelijk de Wildeman (>90%). Echter de Raden zien geen reden te twijfelen aan het verkeersmodel van het gemeentebestuur en leggen de tellingen naast zich neer en concluderen wederom, dat het bezwaar van de stichting faalt. De stichting heeft met hetzelfde verkeersmodel dat het buro Goudappel Coffeng gebruikt, aangetoond dat de uitgangspunten die in het gemeentelijk verkeersmodel worden gebruikt, niet juist zijn. De Raden zien, ondanks de gemotiveerde weerlegging, geen reden om aan het gemeentelijke verkeersmodel te twijfelen. Wederom bezwaar stichting faalt.

Veiligheid
Teleurstellend is ook te moeten lezen, dat volgens de Raden de verkeerssituatie veilig is: de busbrug heeft vrijliggende fietspaden en de rondweg in totaal 9 oversteekplaatsen. Dat de praktijk iets gecompliceerder is, valt buiten de competentie van de bestuursrechter.
De Raden hebben geen uitspraak gedaan over de geluidsoverlast aan de rondweg, omdat het gemeentebestuur handig gebruik heeft gemaakt van een handhavingsgat in de wet geluidhinder, ondanks dat het geluid op de woningen aan de rondweg ver boven de norm ligt.

Wethouder
In een eerste reactie laat VVD wethouder Dennis Straat weten blij te zijn met deze uitspraak. Verkeer tussen Westerkoog en Westerwatering hoeft niet meer kilometers om te rijden. Hij voegt er aan toe dat bij calamiteiten de wijken bereikbaar blijven. Dat laatste was altijd al het geval, maar dit terzijde. Overigens ging het nooit om de bereikbaarheid tussen Westerkoog en Westerwatering. Deze wijken waren onderling altijd goed bereikbaar, behalve met de auto. Het gaat om de nieuwe Noord-Zuid route in Zaanstad tussen de A8 en de Zuidelijke randweg, de gebieden in het Noorden van de stad als Assendelft en Saendelft en de Zuidelijke gebieden inclusief Inverdan die nu regionaal beter bereikbaar zijn, dan alleen via de Provinciale weg.  De wethouder is nieuw in Zaanstad en kent de lange geschiedenis van de busbrug niet. Westerkoog had een ontsluitingsweg de zogenaamde weg binnendoor, op dit tracé van de Westerkoogweg is de Prinsenstichting gebouwd met de uitdrukkelijke belofte dat de busbrug dicht zou blijven. De rondweg was altijd een erfontsluitingsweg op slechts enkele meters van de huizen en nooit bedoeld voor doorgaand verkeer. Het is daarom onbegrijpelijk dat Westerwatering en Inverdan nooit een volwaardige ontsluiting via een tunnel onder het spoor heeft gekregen, waarmee veel problemen waren voorkomen.

Gemeenteraad
Ondanks de openstelling van de busbrug zijn wij nog altijd van mening dat de veiligheid op de rondweg moet worden verbeterd. Unaniem was in 2003 afgesproken, dat de rondweg een 30km zone zou worden met verkeersremmende maatregelen zoals drempels, verhoogde middengeleiders bij de oversteekplaatsen en vrijliggende fietspaden. In ieder geval dient op de korte termijn handhaving plaats te vinden van de maximum snelheid. Wij hopen nog steeds op een verstandige gemeenteraad, die de leefbaarheid in de woonwijk voorop stelt.
De strijd om de busbrug is na vele jaren gestreden. De verantwoording voor de nieuwe situatie ligt nu bij de Zaanse raad.
De pleitnota van de stichting kunt u hier lezen. De uitspraak van de Raad van State kunt u hieronder lezen.

Reacties

201103141/1/A1 en 201102679/1/A1.
Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Rondom de Binding, gevestigd te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad,
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,
appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 8 februari 2011 in zaken nrs. 10-5065, 10-5066 en 10-5151 en in zaken nrs. 09-2838 en 09-2791 in de gedingen tussen:

de stichting Stichting Rondom de Binding,
[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure aan de gemeente Zaanstad vrijstelling verleend voor het beperkt openstellen van de busbrug "De Binding" (hierna: de busbrug) te Zaandam.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college de busbrug, voor zover hier van belang, gedeeltelijk gesloten verklaard.

Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft het college het door de stichting en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 8 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door de stichting en [appellant sub 2] tegen de besluiten van 28 april 2009 en 25 augustus 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar de stichting en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Burgemeestre, advocaat te Amsterdam, en ir. R.W. Meijlof, ing. K Auée, P. Duijn, mr. R. Geerling, ing. R. van der Leije, ir. L.K. Steerenberg en mr. B.S. Abdoelkariem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij besluit van 28 april 2009 ten behoeve van het gebruik van de busbrug voor alle verkeer, met uitzondering van vrachtverkeer, gedurende 24 uur per dag op zaterdagen, zondagen en feestdagen en gedurende 20 uur per dag - met name niet van 07.00 uur tot 09.00 uur en van 16.00 uur tot 18.00 uur - met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals deze luidde ten tijde van belang, vrijstelling verleend van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "2e Uitwerking bestemmingsplan Westerzijderveld 1:2500 fase 3 te Koog aan de Zaan" en "Uitwerkingsplan 'Busroute-502' van het bestemmingsplan Westerwatering" (hierna: de bestemmingsplannen). Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 18 maart 2010, waarbij de busbrug is gesloten voor vrachtverkeer alsmede voor alle verkeer op maandag tot en met vrijdag van 07.00 uur tot 09.00 en van 16.00 tot 18.00 uur, met uitzondering van lijndiensten van het openbaar vervoer en (brom)fietsers, ongegrond verklaard.

2.2. Het college stelt dat het door de stichting ingediende nadere stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, daar pas in dit stuk gronden zijn aangevoerd die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het besluit van 25 augustus 2010 en het college het nadere stuk pas op 21 november 2011 heeft ontvangen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

2.2.2. De Afdeling heeft de zaak op 28 november 2011 ter zitting behandeld. Gelet op artikel 8:58, eerste lid, van de Awb konden partijen tot en met 17 november 2011 nadere stukken indienen. Het nadere stuk is voorafgaand aan het verstrijken van de ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb geldende termijn bij de Afdeling ingediend. In het hogerberoepschrift is door de stichting reeds aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar pleidooi voor een verruiming van de sluitingstijden van de busbrug, welke tijden zijn opgenomen in het besluit van 25 augustus 2010. In het nadere stuk heeft de stichting argumenten aangevoerd ter onderbouwing van het genoemde pleidooi. Het college heeft ter zitting inhoudelijk op dit stuk gereageerd. Gelet hierop en gezien de aard en inhoud van het nadere stuk, verzet de goede procesorde zich er niet tegen dat het nadere stuk bij de beoordeling van het hoger beroep wordt betrokken.

2.3. De stichting betoogt primair dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 28 april 2009 heeft miskend dat het college in plaats van het verlenen van vrijstelling het bestemmingsplan had moeten herzien. Subsidiair betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat de openstelling van de busbrug een project van bovenlokaal belang is en aldus valt onder speerpunt 14 'Infrastructuur' van het provinciale beleid, waarvoor het college geen vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO mag verlenen.

2.3.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals deze luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf hun verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past, aldus die bepaling.

2.3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het feit dat eerder is getracht om de verdere openstelling van de brug in een bestemmingsplan op te nemen, geen reden is om het verzoek om vrijstelling af te wijzen.

2.3.3. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft bij besluit van 19 juli 2005 het "Beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de beleidsnotitie) vastgesteld. Daarin zijn categorieën van gevallen aangewezen waarin het college, zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar, krachtens artikel 19, tweede lid van de WRO vrijstelling voor het desbetreffende project kan verlenen. In de beleidsnotitie is tevens vermeld dat een verklaring van geen bezwaar ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO nodig is, zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is. Speerpunt 14 van het provinciaal ruimtelijk beleid ziet, voor zover hier van belang, op projecten betreffende de aanleg van wegen (inclusief wegomleggingen). Onder wegen worden uitsluitend begrepen de wegen behorende tot de hoofdwegenstructuur (de rijks- en provinciale wegen) en de wegaansluitingen daarop. Het gaat om de wegverbindingen van bovenlokaal belang die een belangrijke stroomfunctie hebben. Deze kunnen ook binnen de bebouwde kom liggen.

2.3.4. Het college heeft onweersproken gesteld dat stroomfuncties alleen worden toegedicht aan wegen in de hoogste categorie van de infrastructuur als autosnelwegen en grote provinciale wegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat De Binding binnen de reikwijdte van speerpunt 14 valt, nu de weg niet onder de hoofdinfrastructuur valt of een stroomfunctie zal vervullen. Het college was dan ook bevoegd krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

2.3.5. Het betoog faalt.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 28 april 2009 heeft miskend dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens haar is niet aangetoond dat de sociale cohesie tussen de woonwijken Westerwatering en Westerkoog wordt bevorderd door middel van de openstelling van de busbrug. Volgens de stichting en [appellant sub 2] heeft de rechtbank niet onderkend dat de toegestane openstelling zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het verkeer en daarmee tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de woonwijken. Zij voeren in dit verband aan dat de rechtbank heeft miskend dat het akoestisch onderzoek en de bijbehorende wegverkeersgegevens waarop het besluit is gebaseerd onjuistheden bevatten, zodat dit onderzoek ten onrechte aan het besluit ten grondslag is gelegd. Zo is volgens hen in de uitgangssituatie gerekend met te lage verkeersintensiteiten, is een onjuiste definitie gehanteerd van het begrip sluipverkeer, is mede om die reden uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten in de toekomstige situatie, zijn de twee wijken ten onrechte tezamen aangemerkt als één wijk, is een onjuiste begrenzing van de wijk Westerwatering aangehouden en is ten onrechte geen of in onvoldoende mate rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen zoals onder meer de bouw van het nieuwe stadscentrum Inverdan, toekomstige ontwikkelingen binnen de wijk Westerkoog, de vestiging van de IKEA, de introductie van betaald parkeren in Houtwerf, een extra aansluiting op de A8 en een wijziging aan de spoorwegovergang Guisweg-provinciale weg, welke ontwikkelingen zullen leiden tot een verhoging van het aantal verkeersbewegingen over de busbrug. De stichting en [appellant sub 2] stellen in dit verband verder dat de namens het college verrichte telling van het sluipverkeer niet representatief is, aangezien de telling slechts betrekking heeft op één uur op één dag en niet volgens de juiste methode is uitgevoerd en dat niet is onderkend dat bijna al het doorgaande verkeer via de weg de Wildeman zal worden afgewikkeld. De stichting wijst in dit verband op eigen tellingen en kentekenregistraties, uitgevoerd in de zomer en het najaar van 2011. Zij verwijst verder naar een door haar uitgevoerde berekening aan de hand van een verkeersmodel van het CROW, waarbij het aantal verkeersbewegingen in de uitgangssituatie veel hoger is dan blijkt uit de gegevens waarop het college zich heeft gebaseerd. De stichting betoogt daarnaast dat de inrichting van de rondweg tot verkeersonveilige situaties leidt, zodat deze weg niet geschikt is voor doorgaand verkeer en een toename van verkeer moet worden vermeden. [appellant sub 2] stelt voorts in dit kader dat het autogebruik voor korte afstanden zal toenemen, hetgeen ongunstig is voor het milieu. Hij voert tot slot aan dat onduidelijk is welke uitgangspunten zijn gehanteerd bij het opstellen van het gemeentelijk verkeersmodel en dat dit model niet aan de berekening van de tot uitgangspunt genomen wegverkeersgegevens had mogen worden, hetgeen volgens hem ten onrechte niet is onderkend door de rechtbank. Hij verwijst in dit verband naar eigen berekeningen.

2.4.1. In de ruimtelijke onderbouwing wordt vermeld dat een goede ontsluiting van de wijken Westerkoog en Westerwatering naar de hoofdwegenstructuur van Zaanstad ontbreekt. De openstelling van de busbrug dient om de bereikbaarheid van de wijken Westerwatering en Westerkoog structureel te verbeteren. De beide wijken beschikken slechts over een eenzijdige ontsluiting, hetgeen met name in de wijk Westerwatering, gezien de toekomstige uitbreiding van het aantal woningen en de uitbreiding van het kantooroppervlak in verband met de realisering van het project Inverdan, onvoldoende is. Voorts is met de openstelling van de busbrug beoogd om de sociale/maatschappelijke cohesie tussen de genoemde wijken te versterken. In het besluit van 28 april 2009 wordt ter toelichting vermeld dat hierbij valt te denken aan het gebruik van de auto door oudere bewoners om bezoek af te leggen. Tussen de beide wijken moet thans aanzienlijk worden omgereden en is het wenselijk om het aantal omrijdkilometers te beperken. Daarbij is volgens het college van belang dat de voorzieningen in de wijk Westerkoog uitgebreider zijn dan in de wijk Westerwatering, zodat de bewoners van de wijk Waterwatering gemakkelijker boodschappen kunnen doen in de wijk Westerkoog. Tot slot acht het college van belang dat de veiligheid in geval van calamiteiten beter kan worden gewaarborgd door de openstelling van de busbrug, door de ontsluiting van de wijk Westerwatering te verbeteren.

2.4.2. Aan de besluiten van 28 april 2009 en 18 maart 2010 heeft het college een rapport van 22 juni 2008, aangevuld op 12 juni 2009, van Lichtveld Buis & Partners B.V. naar de effecten van het openstellen van de busbrug voor onder meer wegverkeerslawaai (hierna: het akoestisch rapport) ten grondslag gelegd. De prognose van het aantal motorvoertuigen dat van de busbrug gebruik zal gaan maken en waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan is tot stand gekomen met behulp van het verkeersmodel van de gemeente Zaanstad (hierna: het verkeersmodel). Na het nemen van de genoemde besluiten heeft Goudappel Coffeng de verkeersberekeningen die ten grondslag lagen aan het akoestisch rapport beoordeeld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Second opinion verkeersgebruik busbrug De Binding", van 23 augustus 2010 (hierna: het nadere rapport). Het nadere rapport moet worden aangemerkt als nadere motivering van de ruimtelijke onderbouwing en van het akoestisch rapport.

2.4.3. In het nadere rapport wordt het verkeersmodel en het verkeersmodel waarop het akoestisch rapport is gebaseerd als volgt toegelicht. In het verkeersmodel is onder meer rekening gehouden met de toekomstige aantallen inwoners en arbeidsplaatsen, de toekomstige verkeersnetwerken en diverse parameters die de autonome ontwikkeling van het toekomstige autogebruik berekenen, waaronder de ontwikkeling van de brandstofprijs en de ontwikkeling van het autobezit. Voorts is rekening gehouden met een aantal toekomstige ontwikkelingen. Het verkeersmodel gaat ervan uit dat het verkeer kiest voor de snelste route, waarbij rekening wordt gehouden met onder meer verkeerslichten en verkeersdrempels. Met toepassing van het verkeersmodel is uitgegaan van een toename van het verkeer van 500 motorvoertuigen per etmaal naar 7900 motorvoertuigen per etmaal in 2018. Daarbij geldt dat 500 motorvoertuigen per etmaal moeten worden aangemerkt als sluipverkeer. Dit aantal is ontleend aan een modelberekening van september 2009 van het college. Voertuigen die vanaf het hoofdwegennet via het verblijfsgebied (in dit geval de Westerkoog dan wel de Westerwatering) of categorie C-weg naar een andere weg rijden uit het hoofdwegennet zonder een herkomst of bestemming te hebben in het verblijfsgebied zijn daarbij als sluipverkeer aangemerkt.

In het nadere rapport is vermeld dat het verkeersmodel betrouwbaar kan worden geacht voor de berekening van de geluidbelasting vanwege het gebruik van de busbrug, dat het aantal van 7900 motorvoertuigen per etmaal in 2018 correct is berekend met het verkeersmodel en dat het aantal van 500 motorvoertuigen per etmaal als sluipverkeer representatief is. In het nadere rapport is verder vermeld dat een op 29 juni 2010 uitgevoerde verkeerstelling en een op 1 juli 2010 uitgevoerd kentekenonderzoek de prognoses ondersteunen, waarbij wordt opgemerkt dat het gebruik van de busbrug in het verkeersmodel mogelijk is overschat aangezien uit de telling blijkt dat de feitelijke verkeersintensiteit iets lager is dan de geprognosticeerde verkeersintensiteit. In het nadere rapport is verder een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd, om te beoordelen of de verkeersintensiteiten waarvan in de berekeningen is uitgegaan niet zijn onderschat. In de gevoeligheidsanalyse is de snelheid van de route met 10 km/uur verhoogd en is als uitgangspunt gehanteerd dat al het verkeer gebruik maakt van de kortste route. Ook op basis van de gevoeligheidsanalyse is geen sprake van meer dan 500 motorvoertuigen per etmaal als sluipverkeer. In het nadere rapport is een verdeling van 40-60% aangehouden over de doorgaande wegen De Glazenmaker en De Wildeman, welke verdeling op basis van het kentekenonderzoek op 47-53% uitkomt.

2.4.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door het college gehanteerde definitie van het begrip sluipverkeer in het licht van de doelstelling van de openstelling van de busbrug niet onredelijk is.

Ten aanzien van de door de stichting en [appellant sub 2] genoemde toekomstige ontwikkelingen heeft het college te kennen gegeven dat de ontwikkeling van Inverdan en de ontwikkeling van het terrein Zuiderhout, inclusief de vestiging van perifere en grootschalige detailhandel op dat terrein, waaronder een eventuele vestiging van IKEA, in het verkeersmodel zijn opgenomen en dat de ontwikkelingen in de wijk Westerkoog, de extra aansluiting op de A8 en het doortrekken van de A8 in westelijke richting op de A9, de vestiging van de IKEA, de introductie van betaald parkeren in Houtwerf en de mogelijke wijzigingen aan de spoorwegovergang Guisweg/provinciale weg ten tijde van het nemen van het besluit nog niet concreet waren, zodat het daarmee nog geen rekening behoefde te houden bij het nemen van het besluit van 28 april 2009. De stichting en [appellant sub 2] hebben deze stellingen niet gemotiveerd bestreden.

Het college heeft verder gesteld dat de uitgevoerde visuele telling en het uitgevoerde kentekenonderzoek slechts zijn bedoeld om de juistheid van de prognose van de gebruikte verkeersmodellen te onderbouwen; het besluit is echter gebaseerd op de verkeersprognoses. Voorts heeft het college ter zitting uiteengezet dat het thans niet mogelijk is om representatieve verkeerstellingen uit te voeren, in verband met werkzaamheden bij Westerwatering en Westzaan. Wanneer de werkzaamheden zijn uitgevoerd zullen in 2012 nieuwe tellingen worden uitgevoerd. De door de stichting overgelegde tellingen zijn volgens het college niet representatief, aangezien de telling op zaterdag heeft plaatsgevonden gedurende de werkzaamheden en aangezien is uitgegaan van een onjuiste extrapolatiefactor voor de tellingen tussen 18.00 uur en 19.00 uur, daar in deze periode de verkeersintensiteiten hoger zijn dan het geval was bij de telling van het college die plaatsvond van 12.00 uur tot 13.00 uur.

In hetgeen de stichting en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het gehanteerde verkeersmodel onjuist is, of dat op onjuiste wijze rekening is gehouden met diverse vaststaande ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. Niet is gebleken dat de door Goudappel Coffeng opgestelde berekeningen in het nadere rapport niet juist zijn. Er bestaat derhalve, anders dan de stichting en [appellant sub 2] stellen, geen grond voor het oordeel dat gebruik is gemaakt van onjuiste verkeersgegevens. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het gemeentebestuur het akoestisch rapport, het nadere rapport en het gehanteerde verkeersmodel aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Zij is terecht tot het oordeel gekomen dat hetgeen de stichting en [appellant sub 2] aanvoeren over de door haar gevreesde toename van het verkeer, en over sluipverkeer door de wijk, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat dit tot een onaanvaardbare situatie zal leiden en voor het college aanleiding had moeten zijn vrijstelling te weigeren. Ten aanzien van de hoeveelheid sluipverkeer neemt de Afdeling daarbij mede in aanmerking dat de busbrug tijdens de spitsuren is gesloten voor motorvoertuigen om sluipverkeer van de snelweg A8 te voorkomen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de versterking van de sociale cohesie tussen de woonwijken Westerkoog en Westerwatering slechts één van de doelstellingen van de openstelling van de busbrug is en dat deze doelstellingen er tezamen toe hebben geleid dat het college het besluit van 28 april 2009 heeft genomen. Bovendien bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de openstelling van de busbrug de sociale cohesie tussen voornoemde wijken zal worden bevorderd. Het tot stand brengen van een betere verkeersverbinding biedt voldoende grondslag voor die verwachting.

2.4.5. Het betoog faalt.

2.5. De stichting en [appellant sub 2] betogen verder dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 28 april 2009 heeft miskend dat het beleid van de gemeente Zaanstad over de wenselijkheid van de openstelling van de busbrug geheel is gewijzigd en dat de burgemeester en het college in het verleden ook schriftelijk te kennen hebben gegeven dat de busbrug niet voor alle verkeer zal worden opengesteld. Dit standpunt van het college volgt eveneens uit een uitspraak van de president van de rechtbank Haarlem, aldus de stichting. Volgens hen is om die reden sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat in de toelichting op het bestemmingsplan Westerkoog 2008 is vermeld dat er geen nieuwe visie voor het gehele gebied wordt neergelegd en dat het bestaande karakter van de woonwijk blijft gehandhaafd, zodat hij er in zoverre op mocht vertrouwen dat de busbrug niet voor alle verkeer zou worden opengesteld.

2.5.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het het college vrij staat om terug te komen op eerdere voornemens. Dat het hierover, zoals gesteld, in het verleden een andersluidend standpunt heeft ingenomen, leidt niet tot een ander oordeel.

De betogen falen.

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 28 april 2009 ten onrechte niet heeft onderkend dat uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidsbelasting op de woningen aan de rondweg zal toenemen met 1 tot 4 dB, welke geluidstoename niet is beoordeeld bij het nemen van het genoemde besluit. De stichting voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat er ten onrechte geen maatregelen worden getroffen ten aanzien van de woningen, gelegen aan de op De Binding aansluitende wegen, terwijl ten aanzien van die wegen ook sprake is van een reconstructie. Zij doelt hierbij onder meer op de wegen De Wildeman, De Glazenmaker en de Houtveldweg. Zij verwijst in dit kader naar de Beleidsregel Hogere Waarde van de gemeente Zaanstad, in werking getreden op 4 december 2009 (hierna: de Beleidsregel), op grond waarvan volgens haar voor deze bestaande woningen een hogere grenswaarde dient te worden vastgesteld van maximaal 55 dB.

2.6.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder 'reconstructie van een weg' verstaan: één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek […] blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die […] als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ingevolge artikel 99, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone van die weg woningen aanwezig zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO dat in de reconstructie voorziet.

Ingevolge het tweede lid heeft het in het eerste lid bedoelde akoestische onderzoek, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de reconstructie van een weg zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of - als een weg gedeeltelijk wordt gereconstrueerd - vanwege de niet te reconstrueren gedeelten daarvan, tevens betrekking op die andere wegen of de niet te reconstrueren gedeelten van de betrokken weg.

Ingevolge het derde lid worden bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid de waarden die ingevolge de artikelen 100, 100a en 100b als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt in acht genomen.

2.6.2. Uit het akoestisch rapport is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Wet geluidhinder dan wel de heersende waarde als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Wet geluidhinder door de aanleg van de busbrug bij een aantal woningen met 2 dB of meer wordt overschreden. Uit artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder volgt dat wanneer sprake is van een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidbelasting vanwege die weg met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd, die wijzigingen worden aangemerkt als reconstructie van een weg. Ten aanzien van De Binding geldt dat wijzigingen aan de weg worden aangebracht, ten gevolge waarvan de geluidbelasting met meer dan 2 dB toeneemt, zodat deze wijzigingen moeten worden aangemerkt als een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder.

Op grond van het bepaalde in artikel 99, eerste lid, van de Wet geluidhinder, in samenhang met het derde lid, dienen de in het derde lid genoemde waarden in acht te worden genomen voor zover sprake is van een reconstructie van een weg als bedoeld in artikel 1. Om die reden zijn uitsluitend hogere waarden vastgesteld voor woningen vanwege de wijzigingen aan De Binding. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidbelasting vanwege de wegen De Glazenmaker, De Wildeman en de Houtveldweg eveneens met 2 dB of meer toeneemt. De verhoging van de geluidbelasting ten aanzien van deze wegen is het gevolg van de reconstructie van De Binding en brengt niet met zich dat aan deze overige wegen eveneens een reconstructie plaatsvindt. De geluidbelasting vanwege de overige wegen dient ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder wel te worden vastgesteld, maar voor de door [appellant sub 2] en de stichting bedoelde woningen behoeven op grond van de Wet geluidhinder in het kader van deze procedure geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld. Om die reden kan niet worden toegekomen aan een toetsing van het in de Beleidsregel opgenomen beleid, dat uitsluitend van toepassing is in die gevallen waarin hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld. De geluidbelasting vanwege de overige wegen op een groot aantal waarneempunten is in het akoestisch rapport opgenomen, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het akoestische onderzoek in zoverre in strijd is met artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.6.3. Ten behoeve van de openstelling van de busbrug heeft het college bij besluit van 12 oktober 2010 hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen. De Afdeling heeft het door de stichting tegen dat besluit ingediende beroep bij uitspraak van heden in zaaknr. 201012911/1 ongegrond verklaard. Volgens het akoestisch rapport kunnen die grenswaarden bij uitvoering van het project in acht worden genomen, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat er in zoverre voor het college geen aanleiding was om de gevraagde vrijstelling te weigeren.

De betogen falen.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 25 augustus 2010 heeft miskend dat de beperkte openstelling van de busbrug niet adequaat kan worden gehandhaafd.

2.7.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat handhaving van de resterende beperking van de openstelling zal plaatsvinden met behulp van flitspalen, waarna het Centraal Justitieel Incassobureau zal overgaan tot het incasseren van de verkeersboete en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat deze wijze van handhaving niet afdoende is, zodat er in zoverre geen grond is voor het oordeel dat het besluit tot zodanige verkeersoverlast of verkeersonveilige situaties dat het college in redelijkheid had moeten afzien van het nemen van het besluit.

Het betoog faalt.

2.8. De stichting betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak over het besluit van 25 augustus 2010 heeft miskend dat het college bij de vaststelling van de tijden waarbinnen de busbrug voor motorvoertuigen is gesloten tevens de periode tussen 23.00 uur en 6.00 uur had moeten opnemen om geluidoverlast in de nachtperiode te voorkomen en dat de brug tevens voor motorvoertuigen moet worden gesloten op de tijdstippen waarop kinderen van en naar school gaan in verband met de veiligheid van de kinderen. Voorts is volgens haar uitgegaan van onjuiste spitstijden: de spits begint volgens haar al om 5.30 uur in plaats van om 07.00 uur, zodat ook in zoverre voor een te beperkte geslotenverklaring is gekozen.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de busbrug tijdens de spitsuren voor motorvoertuigen is gesloten om sluipverkeer vanwege files op de snelweg A8 te voorkomen, zodat het verkeer op de busbrug niet meer toeneemt dan noodzakelijk is. Het college stelt dat in 2012 geëvalueerd zal worden of het aanvangstijdstip van 07.00 uur vroeg genoeg is, maar ziet op voorhand geen reden om ervan uit te gaan dat ter plaatse al vanaf 05.30 uur meer motorvoertuigen over de busbrug zullen rijden. Een geslotenverklaring in het weekend is volgens het college niet nodig, daar op zaterdag en zondag uitsluitend midden op de dag sprake is van een toename van het aantal motorvoertuigen. Voorts is een vrijliggend fietspad aanwezig op de busbrug en kunnen voetgangers op de rondweg gebruik maken van negen zebrapaden, zodat volgens het college geen verkeersonveilige situatie ontstaat wanneer kinderen van en naar school gaan. Gelet op deze motivering ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college, gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, in redelijkheid niet tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

2.9. De stichting en [appellant sub 2] verwijzen in hoger beroep overigens naar hetgeen zij eerder in de procedures hebben aangevoerd. De rechtbank is op deze gronden in de overwegingen van de aangevallen uitspraken ingegaan. In hoger beroep hebben de stichting en [appellant sub 2] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraken onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraken.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

-----------------------------------------------------------------

201012911/1/A1.
Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Rondom de Binding en anderen, gevestigd te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad (hierna tezamen en in enkelvoud: de stichting),
appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen te Zaandam en een woning te Koog aan de Zaan, ten behoeve van een reconstructie van busbrug De Binding (hierna: de busbrug) tussen Zaandam en Koog aan de Zaan.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Burgemeestre, advocaat te Amsterdam, en ir. R.W. Meijlof, ing. K Auée, P. Duijn, mr. R. Geerling, ing. R. van der Leije, ir. L.K. Steerenberg en mr. B.S. Abdoelkariem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de busbrug van een aantal woningen in Zaandam en een woning in Koog aan de Zaan, variërend van 50 tot 53 dB. Aanleiding voor het vaststellen van de hogere waarden is de met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, bij besluit van 28 april 2009 verleende vrijstelling van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen waarbij een beperkte openstelling van de busbrug voor verkeer mogelijk is gemaakt (hierna: het vrijstellingsbesluit).

2.2. Het college stelt dat het door de stichting ingediende nadere stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, daar pas in dit stuk inhoudelijke gronden zijn aangevoerd die zijn gericht tegen het besluit van 12 oktober 2010.

2.2.1. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

2.3. De Afdeling heeft de zaak op 28 november 2011 ter zitting behandeld. Gelet op artikel 8:58, eerste lid, van de Awb konden partijen tot en met 17 november 2011 nadere stukken indienen. Het nadere stuk is voorafgaand aan het verstrijken van de ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb geldende termijn bij de Afdeling ingediend. In het beroepschrift verwijst de stichting naar een aantal bij het beroepschrift gevoegde stukken, waaronder een pleitnota, die door haar is overgelegd aan de rechtbank Haarlem, bij een zitting waar de beroepen tegen het vrijstellingsbesluit en het besluit van het college van 18 maart 2010, waarbij de busbrug gedeeltelijk gesloten is verklaard (hierna: het verkeersbesluit), gezamenlijk zijn behandeld. In de pleitnota stelt de stichting dat ten onrechte geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen ten aanzien van de woningen aan de rondweg, alhoewel sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. In het nadere stuk heeft de stichting de in de pleitnota geformuleerde beroepsgrond nader onderbouwd. Het college heeft bij de behandeling van de zaak ter zitting op 28 november 2011 inhoudelijk op dit stuk gereageerd. Gelet hierop en gezien de aard en inhoud van het nadere stuk, verzet de goede procesorde zich er niet tegen dat het nadere stuk bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

2.4. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college gelijkluidende hogere geluidgrenswaarden gesteld voor de genoemde woningen. Dit besluit is bij uitspraak van 23 juni 2010, zaaknr. 200906977/1/M2 vernietigd. De Afdeling heeft in haar uitspraak geoordeeld dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport van Lichtveld Buis & Partners van 22 juni 2008, aangevuld op 12 juni 2009, (hierna: het akoestisch rapport) geen rekening is gehouden met mogelijk sluipverkeer, waardoor niet is uitgesloten dat het akoestisch rapport in zoverre een onderschatting bevat van de verkeersintensiteiten en daarmee van de geluidbelastingen.

Na het nemen van het bestreden besluit heeft Goudappel Coffeng de verkeersberekeningen die ten grondslag lagen aan het akoestisch rapport beoordeeld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Second opinion verkeersgebruik busbrug De Binding", van 23 augustus 2010 (hierna: het nadere rapport). Het nadere rapport moet worden aangemerkt als nadere motivering van het akoestisch rapport.

2.5. De stichting betoogt dat in het ontwerp van het besluit ten onrechte is vermeld dat het ontwerp slechts twee weken in plaats van zes weken ter inzage wordt gelegd.

2.5.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste en vierde lid, van de Awb, in samenhang bezien en voor zover hier van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

Ingevolge artikel 3:16, eerste en tweede lid, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

2.5.2. Het betoog is terecht voorgedragen maar leidt niet tot het daarmee beoogde doel, nu geen sprake is van strijdigheid met artikel 3:11, vierde lid, in samenhang met artikel 3:16, eerste lid, van de Awb. De kennisgeving van het ontwerp van het besluit is op 25 augustus 2010 gepubliceerd in het Zaans Stadsblad. Volgens deze kennisgeving wordt het ontwerp van het besluit van 26 augustus tot en met 6 oktober 2010 ter inzage gelegd. Vaststaat dat het gedurende deze periode ook ter inzage heeft gelegen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. De stichting betoogt verder dat in het ontwerp van het besluit ten onrechte is vermeld dat tegen het definitieve besluit een beroepschrift kan worden ingediend bij de rechtbank Haarlem.

2.6.1. Het beroep betreft het besluit van 12 oktober 2010. In dat besluit is vermeld dat een beroepschrift kan worden ingediend bij de Afdeling. Bij de bekendmaking van dit besluit is eveneens een juiste rechtsmiddelenvoorlichting toegepast. Dat het ontwerp van het besluit een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting bevat, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Tussen partijen is in geschil of in het akoestisch rapport en het daaraan ten grondslag liggende verkeersmodel en het nadere rapport voldoende rekening is gehouden met mogelijk sluipverkeer. De stichting betoogt dat dit niet het geval is. Volgens haar is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip 'sluipverkeer'. Voorts is volgens de stichting een onjuiste verdeling aangehouden van het verkeer over de wegen de Wildeman en de Glazenmaker, aangezien bijna al het doorgaande verkeer over de Wildeman rijdt. De stichting voert verder aan dat het op 29 juni 2010 uitgevoerde kentekenonderzoek en de op 1 juli 2010 uitgevoerde visuele telling van het verkeer niet representatief zijn voor de gehanteerde verkeersintensiteiten, daar deze metingen te beperkt zijn.

2.7.1. Bij uitspraak van heden, in zaaknrs. 201103141/1 en 201102679/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college in dit geval een onjuiste definitie heeft gehanteerd van het begrip sluipverkeer. Voorts is in die uitspraak, kort samengevat, overwogen dat er evenmin aanleiding is voor het oordeel dat in het akoestisch rapport, in samenhang met het nadere rapport, onvoldoende rekening is gehouden met sluipverkeer. De door het college geprognosticeerde verdeling van het verkeer over de doorgaande wegen de Wildeman en de Glazenmaker van respectievelijk 60 en 40% is ontleend aan de overweging dat de route over de Wildeman slechts iets korter is dan over de Glazenmaker, zodat het college ervan uitgaat dat het verkeer slechts een lichte voorkeur zal hebben voor de route over de Wildeman. In het kentekenonderzoek wordt dit beeld bevestigd; de verdeling van het verkeer over de Wildeman en de Glazenmaker was ten tijde van dit onderzoek onderscheidenlijk 53 en 47%. Niet aannemelijk is gemaakt dat is uitgegaan van een zodanig onjuiste verdeling van het verkeer over de genoemde wegen dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat het akoestisch rapport in zoverre niet representatief is voor de geluidbelasting op de woningen. De Afdeling heeft verder in haar uitspraak van heden geoordeeld dat het uitgevoerde kentekenonderzoek en de visuele telling uitsluitend hebben plaatsgevonden om de aan het akoestisch rapport en het verkeersmodel ontleende prognoses te kunnen toetsen en dat niet aannemelijk is geworden dat de prognoses waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan onjuist zijn. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de stichting aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten en - daarmee - van een te lage geluidbelasting op de in geding zijnde woningen.

De beroepsgrond faalt.

2.8. De stichting voert aan dat er ten onrechte geen maatregelen worden getroffen ten aanzien van de woningen, gelegen aan de op De Binding aansluitende wegen, terwijl ten aanzien van die wegen ook sprake is van een reconstructie. Zij doelt hierbij onder meer op de wegen De Wildeman, De Glazenmaker en de Houtveldweg. Zij verwijst in dit kader naar de Beleidsregel Hogere Waarde van de gemeente Zaanstad, in werking getreden op 4 december 2009, op grond waarvan volgens haar voor deze bestaande woningen een hogere grenswaarde dient te worden vastgesteld van maximaal 55 dB.

2.8.1. Bij het bestreden besluit is voor de door de stichting bedoelde woningen geen hogere waarde vastgesteld. Een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder brengt uitsluitend voor woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld rechtsgevolgen teweeg, namelijk dat ter plaatse van die woningen meer geluid geproduceerd mag worden dan artikel 100a, eerste lid, van de Wet geluidhinder toestaat. Gelet daarop heeft het bestreden besluit niet tot gevolg dat ter plaatse van de door de stichting bedoelde woningen meer geluid mag worden geproduceerd dan artikel 100, eerste lid, toestaat.

Het college is niet verplicht om een hogere geluidbelasting toe te laten en daartoe een hogere waarde vast te stellen. Het gevolg van het niet vaststellen van een hogere waarde kan zijn dat het vrijstellingsbesluit niet kan worden genomen zonder dat voor de bedoelde woningen krachtens de Wet geluidhinder een hogere waarde is vastgesteld. Derhalve dient de vraag of voor die woningen een hogere waarde moet worden vastgesteld, aan de orde te komen in het kader van een procedure tegen het vrijstellingsbesluit en zal deze beroepsgrond worden behandeld in de uitspraak van heden in zaaknrs. 201103141/1 en 201102679/1, welke uitspraak onder meer ziet op een uitspraak van de rechtbank Haarlem over het vrijstellingsbesluit. Nu het college niet verplicht was om voor de door de stichting genoemde woningen een hogere waarde vast te stellen, faalt de beroepsgrond dat het college dit ten onrechte heeft nagelaten.

2.9. De stichting verwijst in het beroepschrift verder naar eerder ingediende gronden in eerdere procedures. Bij het beroepschrift heeft zij haar beroepschriften tegen het vrijstellingsbesluit en het verkeersbesluit en de bij de rechtbank Haarlem overgelegde pleitnota gevoegd. Voorts heeft zij haar zienswijze over het ontwerp van het besluit bijgevoegd. De Afdeling begrijpt de verwijzing naar de eerder ingediende gronden aldus dat de stichting de gronden, opgenomen in de bij het beroepschrift gevoegde stukken, heeft beoogd in de onderhavige procedure aan te voeren. De Afdeling heeft in haar uitspraak van heden, in zaaknrs. 201103141/1 en 201102679/1, een oordeel gegeven over de uitspraken van de rechtbank over het verkeersbesluit en het vrijstellingsbesluit. In het bestreden besluit heeft het college een reactie gegeven op de door de stichting ingediende zienswijze tegen het ontwerp van het besluit. De stichting heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan deze reactie onjuist zou moeten worden geacht. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012